Liberté, libertijn… of misschien toch revolutionair?
Ik twijfel aan mezelf en mijn plek in de maatschappij. Niet zozeer aan de vraag óf ik wel besta, maar meer aan de huidige vorm waarin ik leef.
Ik zit in de eindfase van huisje, boompje, beestje. Een van die snaken zal me misschien nog wel opa maken, maar verder wil ik eigenlijk vooral zoveel mogelijk genieten van de laatste decennia die ik nog op deze aardkloot mag rondhobbelen. Mits in beheersbare gezondheid en met enig mentaal welbevinden, want indien niet, ligt het einde wat mij betreft in het verschiet.
Ik merk echter dat ik me steeds meer erger. Ik maak me er verschrikkelijk druk over en zoek gelijkgestemden. Die zijn er trouwens meer dan genoeg.
Maar er iets aan doen?
Nee.
Daarvoor hebben we geen van allen het lef. Of misschien zijn we gewoon te druk met ons eigen kleine tuintje.
Ho. Stop… waaraan?
O ja. Aan ambtenaren.
En aan bestuurders.
Dat zijn sukkels die een groepje mensen zo hebben besodemieterd dat ze in een bepaalde positie zijn verkozen — Godfather — om er vervolgens op alle mogelijke manieren vooral niets aan te veranderen.
Beide soorten zijn in de voedselketen sterk afhankelijk van elkaar. De een kan schijnbaar niet zonder de ander bestaan.
Het zijn individuen die met een zelfverzonnen boekje met regels aan komen janken zodra ik — of een ander; ze discrimineren daarin zeker niet — die niet in hun cirkels verkeert, iets wil.
Mag niet.
Kan niet.
Past niet in het regelboekje.
Of ze verzinnen wel een nieuwe regel.
Want hoe meer ambtenaren, hoe meer regels. Wij, de bevolking, zouden anders eens kunnen denken dat de stoethaspels niets nuttigs uitvoerden.
Je begint met eentje: de bekende brugwachter.
Je weet wel, een mannetje dat door weer en wind de brug opendoet als er een schip door moet en hem weer dichtdoet als het schip weg is.
Het probleem is dat die brugwachter daar wel de hele dag voor op wacht moet staan. In weer en wind. Dat kan natuurlijk niet. Daar moeten we een hokje voor hebben, zodat de brugwachter een beetje droog en beschut kan wachten tot er weer een schip komt.
Shit, vergeten.
De brugwachter moet ook weleens slapen.
Er moet dus een tweede brugwachter komen, die de taken van de eerste kan overnemen als die ooit, om wat voor reden dan ook, niet kan.
Maar hé, die brugwachters moeten natuurlijk wel in de gaten worden gehouden.
Dus creëren we een chef.
De chef moet controleren of de brugwachters hun werk wel goed doen. Je weet wel: een baantje voor iemand zonder echte ambitie, eigenlijk te dom om het onkruid te wieden omdat hij het verschil niet kent, maar wél lid van de juiste familie. Ja, die familie die de bestuurder had geholpen om verkozen te worden.
Maar die chef… dat is me wel een kereltje.
Zo dom was hij nu ook weer niet. Hij begreep heel goed dat zijn bestaan afhankelijk was van één brug. Als daar iets mee gebeurt, is hij zijn lekkere baantje kwijt.
Dus om zeker te zijn van aanhoudende controletaken gaan we op zoek naar een tweede brug. Met uiteraard weer twee brugwachtertjes die braaf de brug open- en dichtdoen.
Zo. Baantje gegarandeerd.
Natuurlijk ben je er niet met alleen een chef.
Die moet een bureau hebben. Want de bestuurder wil natuurlijk wel graag weten wat hij doet, dus moet er een rapport komen.
Maar de chef werd wat moe van het heen en weer rennen tussen zijn twee bruggen. Zo hard als een schip vaart, kan hij niet eens rennen. En hij moet natuurlijk wel kunnen controleren of de brugwachter van dienst zijn werk goed doet.
Dus maakt hij een regel.
Een beleidsnotitie.
Vanaf vandaag gaat brug één alleen tussen 10.00 en 12.00 uur open. Brug twee van 14.00 tot 17.00 uur.
Zo heeft hij ‘s ochtends eerst tijd om koffie te drinken voordat het echte werk begint en kan hij tussendoor ook nog fatsoenlijk lunchen. Op tijd naar huis is daarmee eveneens geregeld.
Maar…
Hij was vergeten dat er ook nog gerapporteerd moest worden.
Die rapportage past natuurlijk niet in zijn zelfbedachte dagritme. Dus wat nu?
Nou: een assistent.
Voor de rapportage.
En doordat er een assistent is, moet die ook maar een bureau hebben. Maar natuurlijk niet hetzelfde bureau als de chef, want die was er eerder.
Ik kan dit verhaal uitspinnen zolang als ik er rek in kan vinden.
Waar het uiteindelijk op neerkomt, is dat er een compleet havenbedrijf is gecreëerd waarin iedereen van alles controleert — vooral de zelfbedachte regeltjes en de correcte naleving daarvan — en vervolgens vergadert over de vraag hoe het toch kan dat al die regels de productiviteit belemmeren.
En uiteindelijk zijn er geen brugwachters meer.
Die mensen werden te duur en zijn vervangen door geautomatiseerde systemen.
Het is natuurlijk maar een verhaal
Je kunt nu denken dat dit gelul is. Iets wat ik heb verzonnen.
Dat is het ook.
Maar tegelijkertijd is het een karikatuur van hoe een ambtelijk apparaat zich kan ontwikkelen.
Wat heeft iemand ermee te maken of ik op land dat ik zelf heb gekocht een koe, een paard, hooi, maïs of een huis zet?
Of dat het huis dat ik bouw wel de juiste isolatie heeft?
Heb ik het koud in mijn hutje? Dan isoleer ik het vanzelf als ik de rekening voor de verwarming niet meer kan betalen.
Wie bepaalt dat? En waarom bepaalt diegene dat?
Was het niet ooit: wie betaalt, bepaalt?
En wij betalen met z’n allen het enorme waterhoofd dat is ontstaan aan chefjes en assistenten.
Mind you: ik heb het niet over de brugwachter, de vuilnisman of de stratenmaker. We hebben mensen nodig die hun handen uit de mouwen steken.
Maar de overheid — want zo heet de door onszelf gecreëerde klucht — is boven ons hoofd gegroeid.
Het is in mijn ogen het waterhoofd van onze samenleving geworden. Een alsmaar uitdijend gezwel dat steeds meer van de maatschappij vraagt om zichzelf in stand te houden.
In de jacht op voeding — geld, pecunia, centjes — legt de overheid allerlei regels op en mogen we voor het privilege ook nog betalen.
Het begon ooit met tienden aan de leenheren, maar inmiddels wordt zo ongeveer alles belast. En allang niet meer met tienden.
Om het apparaat te kunnen blijven voeden, is steeds meer geld nodig.
België telt 11 miljoen inwoners, bijna 12. Daarvan werken er zo’n 1,7 miljoen voor de overheid of semioverheid.
They are over to the Dark Side.
De overheid verzint regels en vergeet oude regels weer te schrappen. Ze handhaaft die regels, terwijl nut en bestaansrecht lang niet altijd opnieuw ter discussie lijken te staan.
Er ontstaan baantjes voor chefjes en onderknuppeltjes.
En wie betaalt dat allemaal?
WIJ.
En in tegenstelling tot wat ik eerder beweerde — wie betaalt, bepaalt — mogen we ons geld afgeven, desnoods onder dwang, en moeten we vooral niet te veel zeuren.